Beschrijvend-vergelijkend onderzoek
De indeling in functies van onderzoek is gebaseerd op Wientjes, H., & Veenhoven, J. (2023). Eureka! Didactiek voor het leren onderzoeken in vwo én havo. Universiteit Utrecht. De tekst, voorbeelden en oefeningen op deze pagina zijn een eigen uitwerking. Meer over het boek ↗
Bij beschrijvend-vergelijkend onderzoek beschrijf je twee of meer gevallen en zet je ze naast elkaar. De kernvraag: wat zijn de overeenkomsten en verschillen?
Herken het aan de vraag
- Wat zijn de verschillen in schermtijd tussen brugklassers en bovenbouwleerlingen?
- In hoeverre verschilt het aanbod van de schoolkantine van dat van de school in het dorp ernaast?
Je kunt alleen eerlijk vergelijken als je beide gevallen op dezelfde manier meet: dezelfde vragen, dezelfde momenten, dezelfde criteria. Anders vergelijk je appels met peren.
Dezelfde enquête of observatie uitvoeren bij twee groepen, en de resultaten naast elkaar zetten.
Dezelfde schermtijd-vraag stellen aan brugklassers én bovenbouwers, en de uitkomsten naast elkaar zetten.
Brugklassers een enquête geven en bovenbouwers interviewen — met twee verschillende meetlatten kun je niet eerlijk vergelijken.
Hangt samen met
- Functies van onderzoek — alle zes functies naast elkaar
- Puur beschrijvend — de basis: eerst elk geval apart beschrijven
- Betrouwbaar — steeds op dezelfde manier meten